Offshore Windpark Q7-WP
Offshore windpark Q7-WP ligt in blok Q7 van het Nederlands Continentaal Plat op ruim 24 km uit de kust in water met een diepte van 20 - 25 meter. Het is daarmee het eerste offshore windpark dat in diep water en op grote afstand van de kust is gerealiseerd. De onderlinge afstand tussen de windturbines bedraagt circa 550 meter. Het windpark en een zone van 500 meter rond het windpark is door het Ministerie van Verkeer & Waterstaat tot gesloten gebied voor alle scheepvaart verklaard.
|
windpark |
60 x Vestas V80 - 2 MW offshore |
|
turbinevermogen |
2.000 kW |
|
rotordiameter |
80 meter |
|
ashoogte |
59 meter boven gem. zeeniveau |
|
turbineleverancier |
Vestas, Denemarken |
|
gemiddelde productie |
435 miljoen kWh per jaar |
|
groene stroom voor |
142.000 huishoudens |
|
besparing CO2-uitstoot |
255.000 ton per jaar |
Windpark Q7-WP is door middel van 150 kV kabels, die zijn ingegraven in de zeebodem, verbonden met het 150 kV onderstation van Liander (voorheen Continuon) te Velsen.
Ontwikkelingsfase afgerond
Op 10 juli 2006 is het project Offshore Windpark Q7-WP door E-Connection overgedragen aan de investeerders: ENECO Energie en twee andere partijen. Deze partijen hebben op 11 juli 2006 de overeenkomst voor de non recourse projectfinanciering met Rabobank en Dexia getekend.
Bouw en in bedrijfstelling
Van Oord AZC (Gorinchem) heeft de fundaties voor de windturbines en het offshore hoogspanningsstation geplaatst. Deze ondersteuningsconstructies zijn gefabriceerd en geleverd door Smulders Groep (Mierlo). Vestas Offshore (Denemarken) heeft de windturbines geleverd en geïnstalleerd. ABB (Rotterdam) heeft de transportkabel naar het aansluitpunt met het net geleverd en gelegd.
Vooruitlopend op de overdracht van het project was in november 2005 op land met de aanleg gestart. De 150 kV kabelverbinding vanaf de duinen naar het onderstation en de aansluiting op het landelijk net te Velsen werden het eerst aangelegd. In 2007 is de bouw op zee gestart. Vanaf het voorjaar 2008 is het windpark volledig operationeel. Op 4 juni 2008 heeft het windpark een nieuwe naam gekregen: Prinses Amalia Windpark.
Unieke financiering
Offshore Windpark Q7-WP is het eerste offshore windpark ter wereld dat is gefinancierd op basis van een non recourse project financiering. Dit was mogelijk dankzij de in 2002 toegekende fiscale faciliteiten, die de Nederlandse overheid (in 2002) beschikbaar stelde voor de stimulering van investeringen in duurzame energie: de Energie Investeringsaftrek (EIA) en de Willekeurige Afschrijving Milieu- VAMIL).
Vergunningen
De vergunning voor Offshore Windpark Q7-WP is aangevraagd op 19 december 1999. De procedure voor de milieueffectrapportage startte op 9 mei 2000.
Het milieueffectrapport werd op 30 augustus 2001 aanvaard. De vergunning is op 18 februari 2002 verleend.
De vergunningen voor de aanleg en het instandhouden van de offshore kabels en landkabels en voor de kruising door de duinen zijn in het voorjaar van 2002 verleend.
Tegen de verlening van de vergunningen zijn geen bezwaren ingediend.
Financiële stimuleringsmaatregelen
De investeerders zijn in september 2002 verplichtingen aangegaan onder de voorwaarde dat de fiscale faciliteiten op grond van de Energie Investeringsaftrek en de Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen op dit project van toepassing zouden zijn en dat de MEP subsidie zou worden toegekend. De MEP (Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie) is een vergoeding per kWh, die de producent ontvangt van de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor de duurzaam geproduceerde en aan het net geleverde energie. De MEP is op 1 juli 2003 in de plaats gekomen van de fiscale stimulering van de productie en verkoop van groene energie op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag (de REB). Inmiddels is de MEP regeling opgevolgd door het Besluit Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE regeling).
De investering in dit windpark werd in 2001 geraamd op bijna € 300 miljoen. Daarom is in maart 2001 ontheffing gevraagd bij het Ministerie van VROM van het VAMIL plafond van € 25 miljoen per project. Uiteindelijk heeft het Ministerie in december 2003 bevestigd, dat dit plafond niet van toepassing is voor project Offshore windpark Q7-WP.
De aanvraag voor de MEP bijdrage is in oktober 2003 ingediend. In april 2004 is de MEP toegekend. In december 2004 kondigde de Minister van Economische Zaken echter aan dat voor elke MEP toekenning een aparte toets zou moeten worden uitgevoerd om na te gaan of sprake zou zijn van overstimulering en strijdigheid met het Europese Milieu Steun Kader. Hoewel de Europese Commissie in juni 2004 had vastgesteld dat bij de financiering van Offshore Windpark Q7-WP geen sprake was van overstimulering en strijdigheid met het Europese Milieu Steun Kader, wilde het Ministerie het project Q7-WP toch opnieuw toetsen. Pas in februari 2006 bevestigde de Minister van Economische Zaken de uitspraak van de Europese Commissie.
Locatiekeuze
Om de zichthinder vanaf de kust te beperken en de effecten op trekkende en foeragerende vogels te verkleinen, is het windpark gesitueerd op meer dan
20 kilometer uit de kust en in water met een diepte van meer dan 20 meter.
Voor de besluitvorming over de vergunning is een uitgebreid Milieueffectrapport opgesteld. Hieruit blijkt dat de effecten van een offshore windpark op het ecosysteem van de Noordzee, de andere gebruiksfuncties van de Noordzee en de omgeving beperkt en alleszins aanvaardbaar zijn.
Offshore Windpark Q7-WP levert schone elektriciteit voor ruim 140.000 huishoudens.